Johannes 6

“Het is echt niks. Het stelt toch echt niks voor.. Wat zou Hij dáár nou aan hebben? Dat helpt Hem geen meter vooruit en ik ben m’n brood en vis dan kwijt..”. Dat schoot allemaal door zijn hoofd. Niet heel gek, als er zoveel mensen voor je zitten.. Hij was al gaan staan en in de richting van Jezus aan het lopen, maar iets hield hem een beetje tegen..  Hij had maar vijf broden en twee vissen.. en je had die menigte mensen moeten zien.. Niemand zag hem trouwens staan, hij liep tussen alle mensen door, werd een paar keer in zijn zij gebeukt door de drukte aan mensen en kwam uiteindelijk een beetje vooraan..

Alle gedachten die daarnet nog zo hard door zijn hoofd vlogen waren stil. Hij trok de eerste de beste persoon waarvan hij wist dat die bij Jezus hoorde aan zijn jas. Andreas draaide zich om, luisterde met een half oor naar wat hij zei en keerde terug naar Jezus. Hij had geen flauw idee of Andreas er wat mee zou gaan doen.. Volwassenen luisteren toch zo vaak maar half naar wat een kind zegt.. Op een gegeven moment voelde hij iemand kijken. Hij keek op en zag Jezus hem aanstaren. Alle gedachten die daarnet zo heerlijk stil waren begonnen meteen weer: “Oh, Hij zal ook wel denken.. Hij heeft toch niks aan zo weinig eten.. en dan kom ik Hem ook nog eens in Zijn tijd storen.. Als iedereen dat zou doen..”. Maar hij hoorde Jezus tegen zijn discipelen praten.. Hij ving maar flarden op.. “gras, … zitten, …”. Achter zich ging de hele meute mensen op de grond zitten en hij hoorde Jezus voor het eten bidden. “Welk eten?! Mijn eten, dat is toch veel te weinig?!”.

Hij heeft met open mond staan kijken. Zijn vijf broden, en zijn twee vissen, die van zo weinig nut leken, hebben de magen van iedereen gevuld. Het was magisch. Hij keek naar Jezus, en Jezus keek terug en gaf een knipoog. En in die ene knipoog zat liefde, zat vertrouwen en zat ‘jij bent genoeg, ook jij hebt nut!”. Dat zal hij nooit vergeten.

Efeze 5.

Ik geef je leven, helemaal nieuw.

Nee, je doet het niet alleen.

God is je voorbeeld, God geeft de weg.

Hoe moeilijk het ook is dat Ik dat zeg.

Ik geef je leven, helemaal nieuw,

maar verpest het dan niet meteen.

Houd je slechte woorden eens voor je,

laat je dankbaarheid zien.

Ik geef je leven, helemaal nieuw,

maar gedraag je als een kind.

Een kind van God, vol goede dingen.

Ik geef je leven, helemaal nieuw,

maar hou het nieuw en hou het mooi.

Want Ik geef het je niet zonder reden.

Houd dat voor ogen, houd dat in zicht.

Ik geef je nieuw leven, niet voor niks. 

Mattheus 6.

‘Kom op mam!’, roept Matt naar z’n moeder. Hij staat allang klaar om naar voetbal te gaan, maar z’n moeder is weer zo vreselijk sloom. Altijd weer dat gedoe voor die spiegel en het zeuren of ze er goed uitziet.. Matt is 8 jaar oud en vindt dat allemaal maar onbelangrijke dingen.. Maar, het is z’n moeder, dus hij houdt stiekem wel heel veel van d’r.
Als ze eindelijk naar voetbal vertrekken in de auto, is Matt het eigenlijk alweer zat. Het enige waar zijn moeder over kan praten is dat hij vandaag wel moet winnen. Hij zit al in een hoge klasse voor zijn leeftijd, hij doet het supergoed. Maar hij moet winnen! “Maar mam, waarom mag ik niet gewoon voor m’n lol spelen? Waarom moet ik winnen?”. Zijn moeder antwoordt: “Lieve Matt, je bent al acht, jij snapt toch ook wel dat je moet winnen, pas dan heb je echt wat bereikt!”. Matt zucht diep.

Bij de ingang van het voetbalveld, dicht bij het centrum, zit altijd een meneer. Matt vindt ‘m er altijd wel aardig uitzien. Ja, oké.. Zijn kleren zijn een beetje vies en oud.. En hij heeft zijn haar al wel een tijdje niet gewassen.. En de hond die hij altijd bij zich heeft is nou ook niet bepaald schoon.. Maar hij glimlacht altijd naar Matt. Dus hij zal toch wel aardig zijn? Hij zit met z’n pet aan zijn voeten, in de hoop dat mensen hem geld geven. Matt heeft geen geld, dus hij glimlacht altijd maar gewoon terug. Maar deze donderdag zit het Matt dwars.. Hij wéét namelijk dat zijn moeder wel geld heeft. Vlak voor de ingang vraagt hij aan haar: “Mam, zullen we die meneer wat geld geven? Hij zit daar al zo lang.”. “Nee Matt.”. Hij krijgt een afkeurende blik van z’n moeder, maar waarom? Matt snapt er niks van. “Maar mam, je hebt geld. Ik heb het je in je portemmonnee zien doen!”. “Matt, hou je mond en loop door.” Matt staat stil. “Mam.”. “Matt!”. “Mahaaaam.”. Zijn moeder pakt hem bij zijn arm en sleurt hem weg. Matt zucht diep.

Op zondag gaan Matt, zijn moeder en zijn vader naar de kerk. Altijd weer een bijzondere ervaring, vindt Matt. Al die liederen, een collecte, een orgel, een dominee.. Indrukwekkend. Die collecte vindt Matt altijd wel een mooi iets. Hij vindt dat als je mensen op straat tegenkomt die geld nodig hebben, je ook wat moet geven, zeker als je genoeg geld hebt. En tijdens de collecte viel hem iets op. Niemand gluurt. Niemand gluurt stiekem hoeveel er in de zak zit of hoeveel zijn/haar buurman in de zak doet. Nouja, af en toe een gekke peuter die z’n hand in de zak steekt en er wat uit haalt, maar die krijgt altijd al snel op zijn kop.. “Matt! Word eens wakker! Hier is 10 euro voor in de collectezak!”. Matt ziet zijn moeder met een briefje van 10 wapperen en trots om zich heen kijken. Hij was zo in gedachten verzonken dat hij de collectezak niet aan zag komen. Maar waarom deed zijn moeder zo gek? Iedereen kijkt naar haar.. Matt zucht diep.

Matt komt net terug van buiten spelen met z’n grote vriend Bas. Als hij de deur open doet, hoort hij zijn moeder al aan de telefoon.. Ze praat vast weer met tante Anneke, daar zit ze zo vaak mee aan de telefoon. En altijd gaat het weer over hetzelfde: “De buurvrouw maakt zo’n lawaai, de presentatie van morgen gaat echt vreselijk mislukken, de hele week zit veel te vol en is veel te druk, wanneer moet ik in hemelsnaam nog ademhalen!?, m’n man heeft niet eens tijd voor me, oh nu zijn de aardappelen alweer overgekookt!”. Matt vindt het maar gezeur om dingen.. Laat het los.. Hij schenkt een glas Roosvicee in voor z’n moeder en zegt: “Komt wel goed mama, dat is morgen pas”.

Romeinen 8

“Doden in Nigeria door twee aanslagen Boko Haram. Deel perron Tilburg ingestort, één zeer zwaargewonde. Beveiliger Koreaans concert pleegt zelfmoord. Signalen van mensenhandel bij tien prostituees. 278 slachtoffers vliegramp MH17 geïdentificeerd. Doden bij gevechten bij Malinese stad Gao. Palestijnse tiener doodgeschoten op Westoever. Seriemoordenaar Brazilië doodt 39 mensen ‘uit boosheid’. Man aangehouden voor maken en verspreiden van kinderporno. Twee blauwhelmen VN-vredesmissie gedood in Darfur.”

Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. (vers 18)

Hopen op wat komen gaat.
Nog onbekend.
Hopen op bevrijding
Van lijden overal.
Hopen op iets onzichtbaars
is de grootste hoop die er is.

Bidden voor een oorlog
of bidden voor een ruzie,
dat het verdwijnen mag.
Zoeken naar de woorden,
onvindbaar voor gebed.

Onnodig,
overbodig.
God
heeft de woorden
die je zoekt.

Gods kinderen zijn wij.
Voor en achter ons.
Oh how he loves us..

Kolossenzen 3

D’r is een meisje. Zo’n meisje waarbij je twijfelt over hoe ze nu echt is. Zo’n meisje wat doordeweeks een beetje een bijzonder type is, maar op zondag super braaf.
Volgens mij heet ze Paula. En je zou kunnen zeggen dat Paula twee kanten heeft. De doordeweekse en de zondagse kant.

Als je Paula doordeweeks tegenkomt, loopt ze vaak met haar vriendinnen in de stad. Het standaard onderwerp in dit clubje is hoe leuk die jongen is die op ze af komt lopen, of hoe irritant dat ene meisje nou weer deed over dat ene onderwerp. Het cliché bitch-beeld, zou ik zeggen.
Zondagse Paula is anders. Zondagse Paula gaat naar de kerk, soms wel twee keer op één zondag. Zondagse Paula luistert intensief naar de preek, zondagse Paula zingt enthousiast mee. Zondagse Paula loopt niet met haar clubje vriendinnen door de kerk, maar gewoon in haar eentje. Zondagse Paula lijkt een stuk liever. Misschien is ze dat ook wel.

Ik heb me altijd afgevraagd waarom ze zo inconsistent is. Waarom ze in de ene setting zo is, waarom ze in de andere setting zo lief is. Het menselijk brein is een gek iets. We passen ons aan naar onze situatie, maar veranderen hiermee onszelf ook. En ik denk, heel persoonlijk, dat we best wel aanvoelen wat onze echte ‘ik’ is. In welke setting we onszelf écht onszelf voelen.

Paula heeft een soort ‘vage’ vriend/kennis. Hij heet Bas en hij is best wel awesome. Bas is niet doordeweeks anders dan op zondag. Bas is eigenlijk altijd redelijk dezelfde persoon. En iedereen die Bas leert kennen, noemt dat het zo’n lieve, dienstbare jongen is. Blijkbaar doet hij alles voor iedereen om te helpen en lijkt ie ook nog eens gelukkig. Bas ergert zich af en toe wel aan Paula, maar Bas is hierin anders dan andere mensen. Bas confronteert Paula met haar doen en laten. Op een zondag, want dat is Paula’s goeie dag, ging hij in gesprek met Paula en benoemde wat hij gezien had, hoe verschillend zij is afhankelijk van of het doordeweeks of zondags is.

Iedereen moet zo iemand hebben.. We hebben allemaal de neiging om af te dwalen, denk ik. We hebben allemaal de neiging om jaloezie of lage begeerten de overhand te laten nemen in ons leven, onbewust of bewust. En ook al willen we het niet, het gebeurt, want we zijn mensen.. Echter, als iedereen een vriend zou hebben als Bas, die je confronteert met hoe je leeft en je vertelt hoe hij denkt dat het zou ‘moeten’, dan zou de wereld al een stukje beter eruit zien denk ik. Als we dan niet te eigenwijs zijn in ieder geval, we moeten wel naar de ‘Bas’-en in ons leven luisteren.

En eigenlijk zijn we allemaal een beetje zoals Paula. En ik al helemaal. Maar gelukkig heb ik ook een Bas, die me daarover na laat denken.


Lees vooral écht ook Kolossenzen 3, want het is een bijzonder mooi stuk en dit zelfgeschreven stuk is wel naar aanleiding daarvan, maar misschien ook een beetje vergezocht 🙂

Day nothing. :)

Zoals te merken was misschien, heb ik een beetje gefaald met dagelijks een blogje.

Gelukkig was het bewust. Want dit weekend had ik zoveel leuke dingen dat ik er helemaal in zat en geen tijd/moeite/energie in deze blog wou & kun steken 🙂
Een bruiloft van mijn beste vrienden, die echt de meeste leuke dag was die ik in lange tijd heb meegemaakt, waar zo’n mooi bruidspaar vooraan stond en waar het gewoon een openluchtdienst was, wat supermooi was! Een dagje op de bank hangen omdat het veel te warm is, met Sanne samen en een heel seizoen Cosby Show kijken. Naar de kerk in Culemborg, waar je je ontzettend welkom kan voelen en waar je je bij de Kalle’s misschien nog meer welkom voelt, en ’s avonds fijn aan ’t water eten met Sietse Ludger.

Dit soort weekenden horen er ook bij. En dan geniet ik nog liever van die dingen, dan dat ik geniet van de reacties die ik op mijn blog krijg. 🙂

Maar ik hoop er morgen weer tijd aan te besteden! 🙂 

Psalm 119


PSALM 119


Samenvatting van ’n Psalm van 11 pagina’s:
Trust in the Lord, with all your heart. Lean not on your own understanding.
In all of your ways, acknowledge Him, and He will make your paths straight.

Haggai 2


HAGGAI 2: 1-9


Ik ben bij je. Was wat mijn vader zei toen ik voor het eerst naar school ging en doodsbang was voor alle nieuwe ervaringen.

Ik ben bij je. Was wat mijn vader zei toen ik gepest werd in de klas, om redenen die nergens op sloegen.

Ik sta achter je. Was wat mijn vader zei toen ik koos naar welke school ik wilde gaan en wat voor vakken ik wilde doen.

Ik ben bij je. Was wat mijn vader zei bij alle meisjesproblemen die ik had.

Ik ben bij je. Was wat mijn vader mij dagelijks liet merken.

Ik sta achter je. Was wat mijn vader zei toen ik ging studeren.

Ik ben bij je. Was wat mijn vader zei toen het thuis niet goed ging.  Toen alles in een ruzie uit leek te lopen, zonder dat ook er ook maar een positieve opmerking naar mij af kon.

Ik ben bij je. Was wat ik altijd wist, ook al zei hij het niet.

‘Ik ben de Heer. Ik ben bij je.’


Voor sommige mensen is het nodig om erbij te zetten; getuigt dus blijkbaar van een overtuigende schrijfstijl, maar: Als ik in de ik-vorm schrijf, betekent dat niet meteen dat het ook echt om mij gaat. 🙂 

Ezechiël 44


EZECHIËL 44: 1-9


Ik heb associaties.

Associaties met de kerk.

Nu keuren we bij de kerk nog niet of je besneden bent, zou ook een beetje rare happening worden. Maar ik denk dat er best kerken zijn, wat mijn huisgenoot net even bevestigt, waar je een soort gekeurd wordt voor je naar binnen mag. Beoordeeld of je wel past/hoort bij deze kerk. Of je wel zwarte kousen aan hebt of een hoedje op. Of je wel een of andere drie-formulieren-iets kan ondertekenen.

Nu zal ik niet zeggen dat we als kerk gelijk zijn als God. En dat God hier iets onredelijks doet. Ik denk dat het, zeker voor het Oude Testament, best logisch is dat God zo streng is op dit vlak. Hij heeft een bepaald volk uitverkoren, de Israëlieten. De mensen die om hen heen en bij hen leven die niet besneden zijn en (wat ik, weer met hulp van huisgenoot, denk dat er bedoeld wordt) niet Joods zijn, daar is op dat moment geen ruimte voor.

Toch durf ik weer te beweren dat we dit stuk (sorry, ik heb de context eromheen niet precies gelezen) niet te letterlijk moeten lezen; ik wil het niet lezen als dat ongelovige/onbesneden/niet-joden echt niet voor God mogen komen. Ik wil het lezen als dat God in die tijd, toen, streng was en hier duidelijke regels in had. En ik denk dat we in de huidige tijd juist de kerk voor iedereen open moeten stellen en dat God ook voor iedereen openstaat. We zijn niet allemaal Israëlieten, maar God houdt wel van ons en wil er ook voor ons zijn. En in mijn hoofd, en in mijn beeld van God, wil Hij er ook zijn voor de zwerver op de hoek, die echt niet in God gelooft. Of voor de carrière-verslaafde buurvrouw. Of voor wie dan ook.

En ik ben me ernstig bewust van hoe belangrijk de context eigenlijk is. Don’t worry. 🙂

1 Petrus 2


1 PETRUS 2: 19-25


Laat ik het maar even op de eerlijke en persoonlijke tour gooien. Ik heb héél hard nagedacht hoe ik dit stuk in een mooi verhaal ging zetten. Je kan nu gemakkelijk stellen dat ik het natuurlijk op een christenvervolging had kunnen gooien en hier een mooi verhaal van kunnen schrijven. Ik durfde dit niet aan. Ik weet het, creatieve vrijheid en dergelijke, maar ik denk dat ik het verhaal van een vervolgde christen niet zo kan vertellen dat ik er recht aan doe, dat ik het echt vertel zoals het voelt. Vandaar.

Waar ik achter kwam, aan de hand van deze tekst, is dat ik eigenlijk een heel gezegend leven heb. Ik heb heel hard nagedacht over zaken waarin ik lijd, waarin ik gestraft word voor goede daden. Ik kon eigenlijk niks bedenken. Ik kan in alle vrijheid op de Uithof voor mijn lunch bidden. Ik kan in alle vrijheid een opwekkingsliedje samen met m’n mede-christelijke studiegenootje midden in het Langeveld gebouw gaan zingen. Ik kan op mijn werk als onderzoeksassistent duidelijk maken dat ik het minder prettig vind als er gescholden wordt met Jezus. Ik mag naar de kerk, waar ik wil.

Ik heb respect. Respect voor de mensen die wél moeite ervaren met geloven en die alsnog doorzetten.

En misschien het leukste van dit elke dag een verhaaltje schrijven, is het feit dat je iets makkelijker aan een niet-gelovige vriend van je kan vragen om een Bijbeltekst voor je te lezen en te kijken wat hij/zij hier van zegt. Deze vriend van mij reageerde met: Ik lees hierin de uitdaging om moed te tonen om ‘goed’ te doen.
En ik denk dat we dat als christen ook echt mogen erkennen, zeker in het Westen, waar we het eigenlijk (meestal) best goed hebben. Het feit dat we niet specifiek lijden, en dus niet écht gestraft worden, maakt dat we nog meer reden hebben om God te danken, maar ook om goede daden te (blijven) laten zien.

Dus. 🙂

5813312717_11f611857e